Ho Modelspoorwegen -Grootspoor

 HO bovenleiding naar NMBS voorbeeld : door Walter Temmerman (Deel 2 )


 

2e) Sectioneringen.

 

Sectioneringen worden toegepast om de bovenleiding in elektrisch onafhankelijke kringen te verdelen.  Waar voldoende lengte ter beschikking is past men sectionering met luchtstrook toe, waarbij tegelijk de rijdraad wordt aangespannen (fig.11 en 12).

Eén sectionering verloopt normaal over 4 spanwijdten, t.t.z. tussen 5 masten.  Voor een maximale spanwijdte van 720mm bedraagt de nodige lengte dan 4 x 720= 2.880mm.  Dar de NMBS zelf de maximum lengte tracht te vermijden bij sectioneringen, mag men het voor HO zeker bescheidener doen.

Een tweede probleem dat zich voor de modelbouwer stelt is de overgang van de stroomafnemer van de uitgaande op de inkomende rijdraad.  Bij de NMBS wordt door aanpassing van de lengte van de hangers een stuk "L" bekomen, waar uitgaande en inkomende rijdraad op gelijke hoogte liggen.  De panto kan zodoende zonder haken en met een minimum aan vonkvorming van de ene sectie naar de andere.  De voorbeeldsgetrouwe oplossing wordt gevonden door gebruik van de twee kortste spanwijdten, waar ook de NMBS 5 spanwijdten (6 masten) toepast.  De rijdraden kunnen dan over de ganse middelste spanwijdte op gelijke hoogte liggen (fig.13 en 14).

De totale lengte wordt dan 5 x 320 = 1.600m of 5 x 240 = 1.200mm.  Wanner voor en na de sectionering  een andere spanwijdte wordt toegepast, moet men tussenin minstens één tussenliggende spanwijdte voorzien.

Door extra grote excentriciteitheeft op een HO-baan de toepassing van een sectioneer- en spaninrichting in een bocht alleen zin bij zeer grote stralen ( > 2m).

 

2f) Spaninrichtingen.

 

Deze zijn wat betreft opstelling van de masten en verloop van de bovenleiding gelijk aan de sectionering met luchtstrook, doch alleen de rijdraad wordt onderbroken.

Spannen van de bovenleiding is niet alleen realistisch, bij gebruik van dunne draad over grote lengten zelfs onontbeerlijk.  Vele modelbanen zijn omwille van de nodige ruimte op zolder opgebouwd.  De daar optredende temperatuurverschillen kunnen de rijdraad in de zomer meerdere millimeters laten doorhangen en 's winters zodanig opspannen dat blijvende vervorming (= uitrekken) of zelfs breuken optreden als geen compensatie is voorzien.

In die optiek is het dan ook aan te raden de draad te monteren bij een temperatuur die zo dicht mogelijk bij het gemiddelde van het lokaal ligt.

Bij de NMBS rekent men een gemiddelde temperatuur van +15° C.  Bij de montage van de bovenleiding worden, in functie  van de temperatuur van het ogenblik, de richtstangen gemonteerd met een positieve of negatieve verschuiving t.o.v. het vaste punt (enkelvoudige compensatie) of het midden van de draadlengte (meervoudige compensatie).

 

2g) Sectioneringen in stations.

 

Door plaatsgebrek (dit fenomeen bestaat ook op schaal 1/1) wordt in stations geen sectionering met luchtstrook toegepast maar wel de sectie-isolator.  Dit toestel leent zich moeilijk tot een ambachtelijk nabootsen op HO, daarom volgend aanvaardbaar voorstel (fig.15 en 16).

 

2h) Aftakkende sporen en kruisingen.

 

Voor de ophanging der bovenleiding aan wissels en kruisingen zijn twee systemen in gebruik, de tangentiële en de gekruiste (zie ook "Plaatsing der masten").

Bij de tangentiële aftakking worden verhoging, isolatie en verankering van de bovenleiding uitgevoerd zoals bij een sectionering met luchtstrook, zodanig dat de rijdraad van het afbuigend spoor zich op gelijke hoogte bevindt met deze van het doorgaand spoor op de mast Y/1.  De rijdraad van het doorgaand spoor wordt niet op deze mast bevestigd (fig.17).  Een kruising kan worden uitgevoerd als twee opeenvolgende wisselverbindingen, waarbij de mast centraal staat.  Een andere mogelijkheid wordt gegeven in fig.18.  Hier loopt de rijdraad van het kruisend spoor ononderbroken voort.

Bij de NMBS zijn de afstanden tussen de masten afhankelijk van de wissel- of kruisingshoek.  Daar de kleinste HO-hoek ongeveer gelijk is aan de grootste 1/1 hoek, moet hier een aanvaardbaar compromis worden gezocht, afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden.

De aftakking met kruisende ophanging heeft een massa in het verlengde van de as van het afbuigend spoor, wanneer de bovenleiding van de aftakking veranderd is op deze mast.  Is er een spaninrichting voorzien, dan komt deze op de dichtste mast van het rechte spoor.  In dit geval staat niet de ophangmast in het verlengde van de aftakking, doch liggen ophang- en richtpunten op deze lijn (fig.3)

Bovenleiding van doorgaand en afbuigend spoor worden door elkaar gestoken, de rijdraad van het afbuigend spoor boven deze van het doorgaand.  De bovenleiding van een spoorkruising laat men gewoon... kruisen.  Hetzelfde geldt voor een Engelse wissel, waar zonodig de rijdraden door middel van hulpdraden in ruitvorm worden opengetrokken.

 

2i) Elektrische voorzieningen.

 

Feeders.

Feeder is de naam voor de zware elektrische kabel tussen sectieschakelaar en bovenleiding.  Afhankelijk van het gebruikte materiaal heeft een feeder een dikte gelijk aan deze van de rijdraad of het dubbele ervan.  In HO wordt dit dan 0,35 of 0,5 à 0,7mm (fig.19).

 

Equipotentiaalverbindingen.

Dit zijn bijkomende elektrische verbindingen tussen de verschillende elementen van de bovenleiding.  Zij worden bij enkelvoudige bovenleiding alle 200m voorzien (HO: 1,5 à 2,299m) en op het einde van een doodspoot (fig.20 en 21).  Bij een compoundbovenleiding komen deze verbindingen alle twee spanwijdten voor en aan weerszijden van het midden van een afspanning (fig.22 en 23).

 

Parallelverbindingen.

Worden aangebracht bij aftakkingen en kruisingen met eventueel daarna een sectie-isolator voor elektrische scheiding van het aftakkend spoor (fig.24).  Bij tangentiële aftakkingen worden de parallelverbindingen aangebracht in het evenwijdig lopend deel van de bovenleidingen.

 

Sectieschakelaars.

Dit apparaat maakt het mogelijk een deel van de bovenleiding spanningsloos te stellen.  Het wordt boven op een mast gemonteerd.  Waar meerdere sporen parallel lopen worden de sectieschakelaars  op de masten van de opeenvolgende overspanningen geplaatst, waarbij de feeder op  isolatoren over de dwarsbalken  naar het betreffend spoor wordt geleid.

Vereenvoudigd bestaat de sectieschakelaar uit twee messchakelaars die middels isolatoren op een kleine frame op de top van een mast is gemonteerd.  Op deze messchakelaar komt enerzijds de voedingskabel toe en vertrekt anderzijds de feeder.  Het mes wordt via een stangenoverbrenging vanop de grond bediend.

Bovenaan is rond de mast nog een klein werkplatform met railing aangebracht waardoor de mast iets hoger wordt (fig.25).

 

Nabeschouwing.

Al wat voorafging vormt geen cursus bovenleiding, doch bevat een aantal tips  om bij toepassing op een modelbaan de term "model" niet teveel van zijn betekenis te laten verliezen.  Vele specifieke situaties werden niet behandeld, maar met de voorafgaande uiteenzetting in gedachten is het allicht gemakkelijker het spinnenweb boven een station te ontwarren en zodoende uw problemen op te lossen.  Kies voor uw observatie geen te groot station.  Dendermonde, Lier, Mechelen, Vilvoorde zijn zeer geschikt.

 

Enkele praktische tips.

Bobineerdraad (geëmailleerd koperdraad, gebruikt voor het wikkelen van spoelen en motoren)  leent zich uitstekend voor verwerking tot bovenleiding.  De harde isolatielaag zich na enkele uren weken in azijnzuur zonder problemen verwijderen. 

Wie niet zo sterk is met de soldeerbout kan ook stripdraad van 0,5mm gebruiken (dit is vertinde koperdraad) die zeer gemakkelijk soldeerbaar is.

Ook stalen binddraad laat zich, mits het gebruik van vloeimiddel, vrij goed solderen en is steviger dan koperdraad.

Mettertijd kan echter roestvorming optreden.  Dit kan wel worden voorkomen door schilderen in zwart of kopergroen.

 

De door de industrie geleverde modelpanto's hebben meestal een te hoge veerspanning,  waardoor de rijdraad omhoog wordt geduwd en een vrij grote wrijving optreedt, die voortijdige sleet tot gevolg heeft.  Het is dus nodig om, afhankelijk van het veersysteem, door rekken of vervormen de veerspanning te verminderen tot 5 à 7 gram ( ± het gewicht van een trouwring).

 

Juist plannen van de inplanting der masten en de daaruit voortvloeiende lengten van overspanningen en spanwijdten in stations doet men best op ware HO-grootte.

Wanneer alle onder draad te brengen sporen vastliggen overdekt men het geheel met ongekreukt, zuiver papier.  Planafdruk of patroonpapier zijn zeer geschikt.  Het papier wordt zo goed mogelijk uitgestreken en bevestigd.  Bij gebruik van meerdere kleine stukken dient men de nodige referenties aan te brengen om een juiste reconstructie toe te laten.

Daarna met de vingers de sporen volgen en de afruk met potlood zwarten..  Aldus bekomt men een getrouw plan op ware grootte en kan de studie beginnen.  Veel plezier met uw NMBS bovenleiding.

 

                                                                                                                              Walter Temmerman.


Index